De Staat van het Onderwijs 2026
Er waren jaren dat we als praktijkonderwijs niet of nauwelijks werden genoemd in de Staat van het Onderwijs. Maar dat is dit jaar in elk geval niet zo! Onze scholen werden bezocht en meer in zijn algemeenheid is er aan onze onderwijssoort (veel) meer aandacht besteedt. Vrijwel allemaal positief. Ik haal er een aantal zaken uit:
Kwaliteit van onderwijs
Te beginnen met de kwaliteit. 90 % van al onze scholen in de steekproef werd voldoende beoordeeld. Een uitschieter in positieve zin is het feit dat zelfs geen enkele school voor praktijkonderwijs als onvoldoende werd beoordeeld bij het onderdeel zicht op ontwikkeling en begeleiding. Doorslaggevend voor het oordeel onvoldoende in dit onderdeel is in alle sectoren van het funderend onderwijs het vaakst dat de school de begeleiding onvoldoende afstemt op de verschillende onderwijsbehoeften van de leerlingen. Andere punten zijn tekortkomingen in het bestrijden van (taal)achterstanden, die samenhangen met kenmerken van de leerlingpopulatie. Dit doen we dus allemaal juist uitgesproken goed.
Referentieniveau’s
Daarnaast spreekt uit het deel over de referentieniveau’s en de aanpak van scholen voor praktijkonderwijs vertrouwen. De Inspectie schrijft te verwachten dat onze aanpak daar uitlegbaar is in relatie tot een zo groot mogelijk streven naar zelfstandigheid van een leerling. Minpunt is dat we in de beschrijving van dit onderdeel in een adem worden genoemd met het (v)so omdat dit in deze beschrijving ook om een totaal andere doelgroep gaat (genoemd wordt in dezelfde alinea leerlingen met een meervoudige beperking). Desalniettemin beschouwen we het maar als een teken van vertrouwen, ook voor onze scholen.
Uitval
De Inspectie constateert het volgende over de uitval in de Entree-opleiding: De kans om uit te vallen is voor studenten in entreeopleidingen met een achtergrond in het praktijkonderwijs (pro) kleiner dan voor studenten die met een entreeopleiding starten nadat ze het vmbo zonder diploma hebben verlaten. Uit onze eigen Staat van het Praktijkonderwijs weten we ook dat een grote meerderheid van de leerlingen met deze pro-achtergrond ook niveau 2 halen.
Arbeidsmarkt
Verder wordt het perspectief van pro-leerlingen op de arbeidsmarkt als positief geschetst. Ook dit wordt weer afgezet tegen het arbeidsmarktperpectief van vso-leerlingen. Dit is natuurlijk positief, maar ook een beetje jammer. Een vergelijking met bijvoorbeeld het mbo zou voor ons ook meer inzicht geven, juist omdat wij ook eindonderwijs zijn.
Trends
In zijn algemeenheid belicht de Inspectie een aantal trends die ik hier niet ongenoemd wil laten. De Inspectie heeft gekozen voor een regionale aanpak. Daaruit blijkt dat er in sommige regio’s wordt onder-geadviseerd, en dat in sommige regio’s juist de prestatiedruk op het advies voelbaar is, hoger wordt geadviseerd en leerlingen op hun tenen moeten lopen. Wat ons opvalt is dat hierbij steevast veel elementen van de (lokale) context ontbreken. De duiding is mager waar het gaat om bijvoorbeeld de vraag van de arbeidsmarkt in die regio’s, verschillen in historie van die regio’s, bevolkingsdichtheid en de relatie met voorzieningen in het algemeen. Het zou nog mooier zijn als de Inspectie het zou aandurven om eenzelfde kaart te maken van het mentale welzijn van leerlingen en die naast de adviezen te leggen.
Duiding
U raadt het al; onze kritiek zit ‘m precies op dit punt: gegevens zonder duiding kunnen zomaar een eigen leven gaan leiden. Wij pleiten echt voor meer duiding van de cijfers. Hetzelfde geldt voor de constatering dat stapelen van opleidingen leidt tot een slechtere positie op de arbeidsmarkt, in inkomen etc, dan de niet-stapelaar. De vraag is waarom het omgekeerde niet is onderzocht: wat is het perspectief van de leerling die te hoog is geadviseerd en alsnog moet zij-instromen in een andere opleiding? Wij pleiten voor een onderzoek naar deze beweging, omdat wij vermoeden dat dit juist veel vervelendere resultaten oplevert voor de leerling die deze loopbaan doorloopt.
Ik eindig met twee positieve punten:
- Op het grote podium tijdens de presentatie van de Staat werd door de Inspecteur-Generaal van de Inspectie van het Onderwijs, Alida Oppers, benadrukt dat docenten aangeven zo’n 30 % van hun tijd bezig te zijn met orde houden in hun klas. Ik zou zeggen: kom kijken in het praktijkonderwijs! Dat heeft in onze scholen grote aandacht, en onze docenten zijn hierin gespecialiseerd. Bovendien zijn de klassen kleiner (dat zou voor iedere onderwijssoort beter zijn) en hebben alle scholen een strakke structuur.
- Samenwerken van docententeams is een belangrijke succesfactor voor de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, zo constateert de Inspectie. Ook hier heb ik hetzelfde advies: kom kijken in het praktijkonderwijs. Docenten steunen en stutten elkaar waar nodig, en veelal is de samenwerking in docententeams juist een van de pijlers van de school. We hebben hier geen kwalitatief onderzoek naar gedaan, maar van veel schoolleiders en docenten die het praktijkonderwijs instromen vanuit andere onderwijssoorten (de zij-instromers) is dit een veel gehoord geluid. Het is een opvallende kwaliteit van het praktijkonderwijs.
Ik wens iedereen die de Staat van het Onderwijs (zie bijlage hieronder) wil doorlezen veel leesplezier!
Nicole Teeuwen